Bewerkingen met het Interactief Stapelgeheugen (vervolg)
'DRFH
Schuift niveau 1 tot en met het huidige niveau omlaag
(n DROPN).
Wist alle niveaus boven het huidige niveau.
Voert op niveau 1 het nummerin het huidige niveau
van het stapelgeheugen in.
(a)
Verplaatst de geheugenwijzer één niveau omhoog. Als
u eerst op [#] drukt, schuift de geheugenwijzer vier
niveaus omhoog ([+a)(PgUp] in de volgende
afbeelding van het toetsenbord); als u hiervoor op [=]
drukt, wordt de geheugenwijzer verplaatst naar de
bovenste geheugenplaats van het stapelgeheugen
([e»)([@)) in de volgende afbeelding van het
toetsenbord).
v)
Schuift de geheugenwijzer één niveau omlaag. Als u
eerst op [+] drukt, schuift de geheugenwijzer vier
niveaus omlaag ([+7)(PgDn] in de volgende afbeelding
van het toetsenbord); als u eerst op [] drukt, wordt
de geheugenwijzer verplaatst naar de onderste
geheugenplaats van het stapelgeheugen ([*](¥] in de
volgende afbeelding van het toetsenbord).
(«1)([EDIT]
Kopieert het object in het huidige niveau naar de
commandoregel voor bewerkingen. Druk op
als u klaar bent met bewerken (of op
om het
bewerken af te breken).
(=)
Als het object in het huidige niveau een reéel getal is,
wordt het object op het niveau dat wordt aangegeven
door het gehele deel van het getal, gekopieerd naar
de commandoregel voor bewerkingen. Als het object
in het huidige niveau een variabele is, wordt de
inhoud van die variabele gekopieerd naar de
commandoregel. Druk op
als u klaar bent met
bewerken (of op
om het bewerken af te
breken).
3: Het stapelgeheugen en de commandoregel
77